Martinus van Oorsouw (1883-1981) en de bijnaam ‘de koppere’


Martinus van Oorsouw (1883-1981) en de bijnaam ‘de koppere’

De familie van O(o)rsouw heeft in en rondom Berghem de bijnaam ‘de koppere’.
Interessant om te onderzoeken waar deze bijnaam vandaag komt.
Familieonderzoek bracht de volgende bron voor deze bijnaam;

Martinus (Tinus) van Oorsouw (1893-1981) is werkzaam geweest bij de Coöperatie (CHV) waarvoor Tinus met de hondenkar langs de deuren ging om de waren van de Coöperatie aan te bieden.

Hondenkar
Hondenkar


Hierdoor werd Martinus in het dagelijkse Berghemse leven geassocieerd als zijnde ‘van de Coöperatie’, wat in de volksmond als snel ‘van de koppere’ werd.
Er zijn familieleden die niet graag aan deze bijnaam herinnerd worden, andere dragen de bijnaam zelfs uit, zoals Wim van Oorsouw (1926-2017) en zoon van Tinus die zijn autoaccessoire zaak aan de Osseweg in Berghem als ‘de koppere’ benoemde.

Hondenkar.

“Tot in de jaren twintig van de vorige eeuw kwam de hondenkar vrij algemeen in het straatbeeld van toen voor.
De trekkracht van de hond bleek de mens goed van dienst te kunnen zijn.
Uit schilderijen en andere bronnen is bekend, dat er al rond 1760 hondenkarren in het straatbeeld van Nederland voorkwamen.
In andere landen zoals België, Duitsland, Frankrijk, Noorwegen en Zwitserland, zijn ook gegevens bekend, dat er in de periode 1800 tot ± 1950 ook met hondenkarren gewerkt werd.
In Denemarken was de hond met de hondenkar niet toegestaan, en in Parijs werd het in 1824 verboden.
Engeland verbood vanaf 1855 om de hond met de hondenkar te gebruiken.
Ingespannen voor, onder, of achter de kar liet de mens de hond voor hem werken.
Eén van de reden om dit dier in te zetten was, dat de hond een goedkopere werknemer was dan bijvoorbeeld een paard.
Het dier was meestal voor een lage prijs aan te schaffen.
De hond stelde geen hoge eisen onder meer aan zijn voeding, onderkomen of verzorging.
Het dier nam er meestal genoegen mee met wat de pot schafte.
Een hondenkarbegeleider of eigenaar zorgde vrij goed voor zijn hond.
Hij onderzocht zijn dieren regelmatig op verwondingen of lichamelijke gebreken.
De hondenkarbezitter was beroepsmatig afhankelijk van de hond en wagen, omdat met dit vervoermiddel er voor gezorgd werd dat er geld voor het gezin binnen kwam.
Het is bekend dat enkele voorouders van de huidige bekende hondenrassen zoals, Bemer Sennerhonden, Bouviers, Deense doggen, Duitse herders het werk met de hondenkar hebben verricht.”

Bron:
“De hond en de hondenkar”
ZENDGRAAF nr. 11 -pagina 348
HEEMKUNDIG PERIODIEK NUMMER 11, OKTOBER 2002
HEEMKUNDEKRING “MEGEN, HAREN EN MACHAREN”